Parochies in de [.c-highlighted]financiële problemen[.c-highlight-yellow][.c-highlight-yellow][.c-highlighted]: bijna acht op de tien parochies staan in het rood

Hester en Nico

Het overgrote deel van de Nederlandse rooms-katholieke parochies zit in de financiële problemen: bijna acht op de tien parochies staan in het rood. Bij elkaar opgeteld leden de 640 parochies vorig jaar een verlies van 15 miljoen euro.

In het parochiesecretariaat van de Sint-Aloysiuskerk in Utrecht zit Frans Joosten, de secretaris van de Sint-Martinusparochie, met een bezorgde blik over zijn multomap met jaarcijfers gebogen. Het gaat niet goed met de parochie. De jaarcijfers in Joostens multomap zijn er het bewijs van. In 2020 maakte de Sint-Martinusparochie 1,1 miljoen euro verlies. En dat was bepaald niet het eerste jaar dat de parochie rode cijfers moest schrijven. De totale inkomsten voor de Sint-Martinus in 2020: iets minder dan zeven ton. Het is dat de Utrechtse parochie over een aardig eigen vermogen beschikt waarop kan worden ingeteerd, anders was ze al technisch failliet geweest.

“Het is een grote puzzel hoe we elk jaar de eindjes weer aan elkaar moeten knopen”, verzucht Joosten. “En een oplossing hebben we helaas nog niet.”

Die verzuchting zal in veel meer parochies klinken. Deze krant verzamelde, in samenwerking met onderzoekscollectief Spit, de financiële gegevens van alle 640 parochies die de rooms-katholieke kerk in Nederland rijk is. Daar rijst een zorgwekkend beeld uit op: bijna acht op de tien parochies - 76 procent - is verlieslijdend. Bij elkaar opgeteld stonden de parochies over 2020 ruim 15 miljoen euro in het rood.

De simpelste en logische verklaring voor die slechte cijfers: de kosten zijn hoog, de inkomsten laag. En alles wijst erop dat de kosten lang niet zo snel zullen dalen als de inkomsten.

Parochie draaiend houden = [.c-highlighted]duur[.c-highlight-yellow][.c-highlight-yellow][.c-highlighted]

Eerst over die kosten. Het is duur om een parochie draaiende te houden. Het kostte de 640 Nederlandse parochies samen vorig jaar 145 miljoen euro. Aan salarissen waren de parochies in 2020 46 miljoen euro kwijt. Het organiseren van de erediensten, de verplichte afdrachten aan de bisdommen, administratiekosten: het telt allemaal flink op. Maar de grootste kostenpost is het onderhoud van de - niet zelden monumentale - kerkgebouwen: vorig jaar 48 miljoen euro.

De parochies zijn zelf verantwoordelijk voor hun financiën: ze krijgen geen geld van bisdommen of andere hogere kerkelijke instanties.

Ook bij de Sint-Martinusparochie zijn het vooral de kerkgebouwen waar veel geld in gestoken moet worden. Vorig jaar 1 miljoen euro, onder andere omdat het de hoogste tijd was dat de Augustinuskerk aan de Oudegracht werd gerenoveerd. Maar ook in 2019, toen er niet gerenoveerd hoefde te worden, ging er een smak geld naar de gebouwen: bijna vierenhalve ton. En dan moeten die kerkgebouwen ook nog eens warm worden gestookt. “We stoken ons een ongeluk”, vertelt Joosten, “en dan nog zit iedereen te bibberen, met die hoge plafonds, glas-in-lood en slechte isolatie. Met de huidige energieprijzen zien we deze winter met angst en beven tegemoet.”

Verkoop lost [.c-highlighted]problemen[.c-highlight-yellow][.c-highlight-yellow][.c-highlighted] niet op

De Utrechtse parochie telde oorspronkelijk dertien kerken. Drie zijn er in de laatste jaren al verkocht en één staat er nu in de verkoop. Die verkoop levert geld op, maar dat lost de problemen niet op, vertelt Joosten. “Als een kerk tot monument is verklaard moeten bij verkoop het orgel, de biechtstoelen, het-glas-in lood allemaal in tact blijven. Dat drukt de verkoopwaarde enorm. De nieuwere kerken zijn wel goed te verkopen, maar die zijn qua onderhoud en stookkosten goedkoper, dus die wil je eigenlijk behouden.”

Maar misschien wel het grootste nadeel van de verkoop van een kerkgebouw is dat dit eigenlijk altijd tot het vertrek van parochianen leidt. Die zijn vaak gehecht aan ‘hun’ kerkgebouw: ze zijn er gedoopt, getrouwd, hebben er hun kinderen laten dopen, hebben er uitvaarten van dierbaren meegemaakt.

Dat vertrek van parochianen na kerksluiting: het is veel voorgekomen in de voorbije jaren. Want er zijn veel kerkgebouwen gesloten en parochies gefuseerd. In 2003 telde de Nederlandse rooms-katholieke kerk 1782 kerkgebouwen en 1525 parochies. In 2019 waren daar nog 1352 gebouwen en 640 parochies van over. En die aantallen zullen verder teruglopen. Kardinaal Eijk, aartsbisschop van het aartsbisdom Utrecht, voorspelde een paar jaar terug dat er in 2028 in zijn bisdom nog tien tot vijftien kerkgebouwen over zullen blijven. Dat zijn er nu nog ruim 250.

“In theorie zouden we voor alle actieve gelovigen in Utrecht aan één kerkgebouw genoeg hebben”, zegt Joosten. “Maar als we alle kerken zouden sluiten, dan ben je wel de helft van je kerkgangers kwijt.”

Op papier mag de rooms-katholieke kerk met zijn 3,7 miljoen leden weliswaar met afstand nog steeds het grootste kerkgenootschap van Nederland zijn, maar in de praktijk betekent dat hoge cijfer niet zoveel: slechts een heel klein deel van al die katholieken is actief en meelevend lid.

Kerkbezoek is ingestort

Kijk maar naar de cijfers over het kerkbezoek. Die zijn in de afgelopen decennia ingestort. In 1965 telde Nederland iets meer dan 5 miljoen katholieken. Van hen gingen zo’n 2,73 miljoen met regelmaat naar de mis, iets meer dan de helft dus. Daar is nog maar een fractie van over. In 2018 kwamen er nog zo’n 150.000 katholieken met enige regelmaat in de kerk, slechts 4 procent van het totaal. De groep betrokken katholieken is dus hevig geslonken. De voortgaande ontkerkelijking en de vergrijzing zijn daarvan de belangrijkste oorzaken. Een almaar krimpende groep actieve rooms-katholieke gelovigen moet dus telkens weer de kosten voor het kerkelijk leven bij elkaar zien te krijgen.

“De meeste kerkgangers zijn mensen op hoge leeftijd”, zegt Joris Kregting, onderzoeker bij Kaski. Dat onderzoeksbureau is onderdeel van de Radboud Universiteit en houdt veel  rooms-katholieke statistieken bij. “Als die groep is overleden en er komt weinig nieuwe aanwas, dan zal de situatie in de toekomst alleen nog maar zorgelijker worden.” Kregting wijst op de cijfers van het aantal kerkelijke huwelijken. Die zijn, zegt hij, een goede graadmeter voor toekomstige kerkelijke betrokkenheid. Immers: “Als mensen niet meer trouwen in de kerk, dan is de kans ook klein dat ze hun kinderen er laten dopen.” Terwijl in 2019 bijna 22 procent van de Nederlanders als katholiek was geregistreerd, werd slechts 1,8 procent van alle huwelijken in de kerk gesloten. En dat aantal kerkelijke huwelijken daalt per jaar zo’n 10 tot 15 procent.

Op de overgebleven groep betrokken katholieken wordt met regelmaat een klemmend beroep gedaan. “Geef waar het kan”, klinkt bijvoorbeeld de oproep van pastoor Frank Lemmens en bestuurslid Theo de Kort op de website van de parochie Peerke Donders in Tilburg. Het is een fusieparochie: zes jaar geleden werden er vier parochies voor samengevoegd. Maar dat heeft de Tilburgse katholieken financieel niet uit de brand kunnen helpen. Integendeel: sinds de fusie zijn de bijdragen van parochianen sterk gedaald. Vorig jaar kwam er 405 duizend euro bij de parochie binnen, maar onderaan de streep werd er 185 duizend euro verlies gemaakt.

Giften

Giften van parochianen leveren de parochies het meeste geld op. Die bijdragen bestaan uit collectegelden, geld dat wordt gedoneerd als mensen een kaarsje branden, en giften via de Actie Kerkbalans. Dat laatste, de jaarlijkse inzamelingsactie, is een zeer belangrijke bron van inkomsten. In 2020 brachten de parochianen in totaal 66 miljoen euro in het laatje. Een jaar eerder: 73 miljoen. Waarbij moet worden opgemerkt dat die daling deels kan worden verklaard door de coronacrisis: doordat er bijna niemand bij de kerkdiensten aanwezig mocht zijn, vielen de opbrengsten uit de collectes veel lager uit.

Maar dat de Actie Kerkbalans minder oplevert is al jaren aan de gang: de opbrengst is telkens zo’n twee tot vier procent lager dan een jaar eerder, meldt Kaski. Daarbij valt op dat maar een klein deel van alle katholieken überhaupt een financiële bijdrage doet: zo’n 30 procent van de 3,7 miljoen katholieken. In protestantse kerkgenootschappen is de geefbereidheid een stuk hoger. Neem de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). Die telt zo’n 1,7 miljoen leden, 2 miljoen minder dan de katholieke kerk. Maar de Kerkbalans-opbrengst van de PKN is meer dan drie keer zo hoog.

De combinatie van hoge kosten en dalende opbrengsten zorgt ervoor dat om de begroting sluitend te krijgen veel parochies afhankelijk zijn van vermogen. Opbrengsten uit bezittingen en beleggingen zijn voor de parochies namelijk de tweede grote inkomstenbron. In 2020: 46 miljoen euro; een jaar eerder: 53 miljoen. Die inkomsten uit bezittingen gaan bijvoorbeeld om het verpachten van landbouwgrond aan boeren, inkomsten uit het beheer van begraafplaatsen en verhuur van kerkgebouwen voor bijvoorbeeld concerten. Dat laatste zorgde vorig jaar vanwege de coronacrisis voor veel minder inkomsten. Een paar parochies verdienen aan telefoonmasten die op hun kerktorens zijn geplaatst. Een telecom-provider telt daar jaarlijks al snel enkele duizenden euro’s voor neer.

De parochies met vermogen hebben meestal een deel daarvan belegd. Maar hoeveel vermogen er precies is, en hoe dat over de parochies is verdeeld is niet bekend. De parochies zijn ANBI-instellingen (waardoor giften aftrekbaar zijn van de inkomstenbelasting) en dat verplicht ze tot het publiceren van een beknopte versie van hun financiële balans. Ze hoeven niet te vertellen over hoeveel vermogen ze beschikken. (Bij dat vermogen wordt overigens de waarde van kerkgebouwen niet meegerekend, die staan altijd voor nul euro op de balans.) Maar dát er vermogen is, is duidelijk. En dat daar massaal op wordt ingeteerd ook. Al in 2017 lieten de bisdommen aan de parochies weten dat ze zich daar flink zorgen over maakten. Want als de begrotingen alleen maar sluitend te maken zijn door op het vermogen in te teren, is er feitelijk sprake van een sterfhuisconstructie: op enig moment is het geld op.

Bron:

Hester den Boer

Aandelen en obligaties

De Sint-Martinusparochie in Utrecht is een van de weinige parochies die wél iets wil zeggen over het vermogen: ze beschikt over 12,8 miljoen euro. Het overgrote deel daarvan zit in aandelen en obligaties. Dat loopt via de vermogensbeheerder van het aartsbisdom Utrecht. “Van het bisdom moeten we beleggen alsof we vlak voor ons pensioen staan: zo veilig mogelijk met een zo vast mogelijk rendement”, vertelt parochiesecretaris Joosten. “Daar staan wij achter, want onze opdracht is om de parochie door te geven aan toekomstige generaties en dan kunnen we geen grote financiële risico’s nemen.” Maar het fonds heeft daardoor ook een nadeel: een vrij laag rendement. “Met het huidige rendement blijven we verlieslijdend, waardoor we elk jaar ons vermogen verder moeten opeten.” En zo lang de parochie rode cijfers heeft moeten ze elk dubbeltje omdraaien. “We zouden bijvoorbeeld graag een extra parochiepriester hebben. Maar nu kunnen we er maar één betalen. En die moet in zijn eentje tien kerken bedienen.”

Dat is inmiddels geen uitzondering meer: op heel veel plekken in het land zijn parochies gefuseerd, met als gevolg dat pastoors vaak een heel setje kerken onder hun hoede hebben. Met weer als gevolg dat de contacten tussen pastoors en gelovigen steeds schaarser worden. Met als gevolg dat de betrokkenheid van de gelovigen verder afneemt. En als de betrokkenheid afneemt, neemt de bereidheid om financieel bij te dragen af. Enzovoorts, enzovoorts. Het is een negatieve spiraal die niet tot stilstand lijkt te brengen.

[.c-highlighted]Migrantengelovigen[.c-highlight-yellow][.c-highlight-yellow][.c-highlighted]

Waarbij moet worden opgemerkt dat er ook uitzonderingen zijn. Er zijn vitale parochies, en er zijn parochies die zelfs groeien. Vaak is dat in de steden, en eigenlijk altijd wordt die groei veroorzaakt door migrantengelovigen.

Wat de oplossing is voor de financiële problemen waar de meeste parochies zich in bevinden, weet ook Frans Joosten van de Sint-Martinusparochie niet. “Het is een constante afweging tussen het wel of niet sluiten van kerken. We kunnen ervoor zorgen dat de financiën op orde zijn, maar als er dan geen gebouwen en daardoor geen gelovigen meer over zijn, betekent dat niets. Maar gewoon maar doorgaan met hoge onderhouds- en stookkosten, en straks nog anderhalve man en een paardenkop in de kerk, totdat het geld op is, dat kan natuurlijk ook niet. De oplossing is zorgen voor aanwas van nieuwe parochianen die ook financieel gaan bijdragen. Dat is de uitdaging én onze opdracht.”

Bron:

Bron: